De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

De
Publié par

Het Project Gutenberg EBoek De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 door Verschillende Auteurs.
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie achterin dit eBoek (Engelstalig) of on-line op www.gutenberg.net Titel: De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 Auteur: Verschillende Auteurs. Uitgiftedatum: Februari 2004 [EBoek Nummer: 11317] Taal: Nederlands (oude spelling). Character set codering: UTF-8.
De Aarde en haar volken
1877.
bladzijde 1
Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.
Werktuig voor het boren van een tunnel in de Alpen.
I.
Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel geen zoo
algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles amongst the Alps in the years 1860–1869,—Tochten in de Alpen in de jaren 1860–1869—dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling, die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar ook om den inhoud zelven. De tochten, ...
Publié le : mercredi 8 décembre 2010
Lecture(s) : 35
Nombre de pages : 701
Voir plus Voir moins
Het Project Gutenberg EBoek De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 door Verschillende Auteurs. Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie achterin dit eBoek (Engelstalig) of on-line op www.gutenberg.net Titel: De Aarde en haar volken: Jaargang 1877 Auteur: Verschillende Auteurs. Uitgiftedatum: Februari 2004 [EBoek Nummer: 11317] Taal: Nederlands (oude spelling). Character set codering: UTF-8. De Aarde en haar volken 1877. bladzijde 1 Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer. Werktuig voor het boren van een tunnel in de Alpen. I. Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel geen zoo algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles amongst the Alps in the years 1860–1869,—Tochten in de Alpen in de jaren 1860–1869—dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling, die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar ook om den inhoud zelven. De tochten, door den heer Whymper ondernomen, behooren tot de merkwaardigste, die in de Alpen zijn volbracht; terwijl zijn boek, vooral bij de verschijning, eene dubbele aantrekkelijkheid ontleende aan het verhaal der noodlottige beklimming van den Matterhorn (MontCervin), waarbij een der beste Alpengidsen en drie jeugdige landgenooten van den heer Whymper het leven verloren: eene gebeurtenis, die destijds in geheel Europa de algemeene deelneming opwekte, en nog niet geheel vergeten is, hoeveel er ook sedert moge gebeurd zijn van meer ingrijpend belang dan de dood van vier moedige reizigers. Al is het boek van den engelschen Alpenbeklimmer dan ook reeds enkele jaren oud, met gerustheid durven wij eenige schetsen daaruit ontleenen, die den lezers der Aarde gewis welkom zullen zijn, te meer daar, voor zoo ver wij weten, van deze Scrambles geene hollandsche vertaling bestaat. Bijna de helft van het boek is toegewijd aan het verhaal van de verschillende pogingen, die de heer Whymper gedurende negen jaren heeft aangewend om den Matterhorn te bestijgen; maar hij verhaalt ook in alle bijzonderheden zijne bestijgingen van den Pelvoux (die vóór hem slechts door den heer Puiseux, hoogleeraar in de sterrekunde aan de Sorbonne, was beklommen), van de Pointe des Ecrins, den berg Dolent, den GrandCornier, de Dent-Blanche, de Aiguille-Verte en vele andere toppen; benevens de niet minder belangrijke tochten door de passen (cols) van Breuil, van La Brèche, van Pilatte, van Triolet, van Hérens, van Talèfre, enz. Er is dus geen gebrek aan verscheidenheid en evenmin aan boeiende episoden. Den 23sten Juli 1860 vertrok de heer Whymper van Londen, om zijne eerste reis door de zwitsersche Alpen te ondernemen: eene reis, die niet anders was dan een verkenningstocht. De heer Whymper trok hierheen en daarheen, en doorkruiste het land in alle richtingen, zonder zich ergens te vestigen. Maar hij had de bergen, wier latere beklimming hij zich had voorgenomen, nauwkeurig bestudeerd en uit verschillende oogpunten geteekend. Als een voorzichtig veldheer, had hij zich vooraf zorgvuldig met het terrein bekend gemaakt. In 1861 begaf hij zich rechtstreeks naar den Pelvoux, waaromtrent hij trouwens niet dan zeer onvolledige inlichtingen had kunnen inwinnen, bladzijde 2 hoofdzakelijk geput uit de werken van Elie de Beaumont en J.D. Forbes. Het was hem onbekend, dat de heer Puiseux reeds in 1848 den top des bergs had beklommen: de bewoners der omliggende valleien zelven hadden dat reeds zoo goed als geheel vergeten. In de maand Augustus 1860 hadden de heeren Bonney, Hawkshaw en Mathews, met Michel Croz uit Chamonix tot gids, gepoogd den Pelvoux te beklimmen; maar na verscheidene dagen en nachten in vruchtelooze pogingen te hebben verspild, waren zij door het slechte weder genoodzaakt geweest, hun plan op te geven. Een wegopzichter, Jean Reynaud genaamd, dien zij op hun tocht hadden medegenomen, schreef de mislukking aan het te ver gevorderde saizoen toe. De heer Whymper, den raad van Reynaud volgende, kwam dus in de eerste dagen van Augustus 1861 te La Bessée, een dorp in de vallei der Durance, waar hij tegen den 3den dier maand zijn vriend en landgenoot Macdonald bescheiden had. Wij zullen nu hem zelven de beklimming van den Pelvoux laten verhalen. “Van La Bessée kan men zeer duidelijk alle toppen van den Mont-Pelvoux onderscheiden, zoowel den hoogsten top als dien, waarop de fransche ingenieurs hunne pyramide hadden opgericht. Reynaud en al de bewoners der vallei waren met de eigenlijke gesteldheid zeer slecht bekend. Men wist alleen dat de ingenieurs een piek hadden beklommen, waar zij een nog hoogeren top hadden ontdekt, dien zij de Pointe des Arcines of des Ecrins hadden genoemd. Maar men kon niet zeggen of deze laatste top te La Bessée zichtbaar was, en kon ook evenmin den top aanwijzen, waarop de pyramide was verrezen. Naar onze meening werd de hoogste top door andere kruinen aan ons oog onttrokken, en zouden wij deze laatsten eerst moeten beklimmen, om de eigenlijke spits des bergs te bereiken. “Van de beklimming door den heer Puiseux wisten de boeren niets af: volgens hun zeggen, was de hoogste top van den Pelvoux nog nooit door iemand beklommen geworden: het was juist die top, dien wij bestijgen wilden. “Ons vertrek werd alleen nog maar vertraagd door de afwezigheid van Macdonald en door het gemis van een stok. Reynaud stelde ons voor, een bezoek te gaan afleggen bij den postdirecteur, die een Alpenstok bezat, in den ganschen omtrek bekend en beroemd. Wij begaven ons naar het kantoor, maar het was gesloten; wij riepen zoo luid wij konden door de reten van de deur; geen antwoord. Eindelijk echter ontdekten wij den postdirecteur, blijkbaar bezig met zich te bedrinken, waarin hij reeds tot eene vrij aanmerkelijke hoogte geslaagd was. Nauwelijks had hij ons gezien, of hij riep uit, zoo goed en zoo kwaad als het ging: “Frankrijk is ... de eerste natie ... der ... der ... wereld!” Wij spraken hem natuurlijk niet tegen, maar trachtten hem aan het verstand te brengen, waarom wij eigenlijk gekomen waren. De beroemde stok kwam dan ook voor den dag: het was een tak van een jongen eik, ongeveer een el en zeventig duim lang, krom en vol kwasten. “Mijnheer, herhaalde de postdirecteur, terwijl hij ons den stok ter hand stelde: Frank ... rijk, weet ge, dat is de ... eerste ... de eerste ... natie der ... wereld, om haar, haar....” “Hij zweeg. “Haar stokken, fluisterde ik hem toe. —Juist, mijnheer ... juist ... om haar ... stokken, om haar ... haar....” Maar verder kon hij het niet brengen. Toen ik een blik wierp op dien broozen staf, dacht ik niet zonder eenige ongerustheid aan mijne eigene zwakheid; maar Reynaud, die het gansche dorp op zijn duim kende, verzekerde mij dat er geen beter te vinden was. Wij verwijderden ons dus met den beroemden stok, en lieten den eigenaar op den weg achter, al waggelende en zwaaiende en steeds herhalende: “Frankrijk is het eerste land der wereld!” “De 3de Augustus brak aan; Macdonald was niet verschenen, en wij begaven ons dus op weg naar de Vallouise. Ons gezelschap bestond uit drie personen: Reynaud, mijn persoon en een drager, Jean Casimir Giraud, de schoenmaker van La Bessée, de “kleine spijker” bijgenaamd. Na anderhalf uur fiks doorgestapt te hebben, kwamen wij te Ville-Vallouise, opgetogen door het gezicht op de trotsche toppen van den Pelvoux, die zich stralend verhieven naar den wolkeloozen hemel. Ik hernieuwde de kennismaking met den maire van Ville. Hij was een degelijk man, met innemende manieren, maar hij verspreidde een bijkans ondragelijken stank, zoo als trouwens de meeste bewoners dezer valleien. “Reynaud had welwillend op zich genomen, voor de levensmiddelen te zorgen; maar juist toen wij gereed stonden te vertrekken, zag ik, tot mijn groote spijt, dat hij van mijn goed vertrouwen gebruik had gemaakt om een klein vaatje wijn mede te nemen, dat ons al dadelijk tot grooten overlast was. Het was natuurlijk uiterst ongemakkelijk, dit vaatje in de hand te houden. Reynaud probeerde om het te dragen, maar gaf het weldra over aan Giraud, die er ook al spoedig genoeg van had; eindelijk hingen zij het op aan een stok, dien zij op hunne schouders droegen. “Te Ville verdeelt de Vallouise zich in twee takken: de val d'Entraignes ter linker, en het dal van Alefred (of Ailefroide) ter rechterhand; onze weg liep door dit laatste dal bergopwaarts. Wij stapten zonder ophouden door naar het dorp La Pisse, waar Pierre Sémiond woonde, die, naar het algemeene bladzijde 3 zeggen, beter dan eenig ander bewoner der vallei, met den Pelvoux bekend was. “Deze man maakte op ons een zeer gunstigen indruk; ongelukkig was hij ziek en kon dus niet met ons medegaan. Echter beval hij ons zijn broeder aan, een goedaardig bejaard man, wiens gerimpeld en ingevallen gelaat hem juist niet als gids zou hebben doen verkiezen; maar wij hadden geen keus, en togen dus met hem op weg. “Boomen van allerlei soort, waaronder vooral noten, omzoomden het pad; de koele, verkwikkende lommer gaf ons nieuwe krachten; beneden ons, in eene prachtige kloof, bruiste de bergstroom, ontsprongen aan de eeuwige sneeuwvelden, die wij den volgenden morgen hoopten te betreden. “Te Ville kan men den Pelvoux niet zien: hij schuilt daar weg achter een anderen berg, langs welks voet wij nu wandelden, op weg naar de chalets van Alefred of Ailefroide, zooals zij somtijds genoemd worden, waar de eigenlijke berg begint. Van deze chalets gezien, schijnen de lagere, maar meer nabijzijnde toppen de meer verwijderde bergen, aanmerkelijk in hoogte te overtreffen, hoewel dit inderdaad niet het geval is; somwijlen verbergen zij die geheel. Maar met een enkelen oogopslag overziet men hier, in zijn volle hoogte, den top, die in deze valleien onder den naam van den “Grand-Pelvoux” bekend is, en wiens schier loodrechte rotswanden zich tot eene hoogte van omstreeks drie-en-twintighonderd el uit het dal verheffen. “De chalets van Ailefroide zijn niet anders dan een handvol armoedige houten hutten, aan den voet van den Grand-Pelvoux, nabij de samenvloeiing der beeken, die van den gletscher van Sapenière of van Selé ter linkerhand, en de Witte en Zwarte gletschers ter rechterhand afdalen. Wij vertoeven hier eenige minuten om wat melk en boter te koopen; Sémiond nam ook een afzichtelijk leelijken knaap mede, om ons vaatje te helpen dragen, duwen en voortrollen. “Nadat wij de chalets van Ailefroide verlaten hadden, sloegen wij eensklaps links af: daar de zon naar het westen neigde, kwam ons nu de schaduw der bergen ten goede. Men kan zich moeielijk een droeviger en naargeestiger landschap denken, dan deze sombere vallei; mijlen ver ziet men hier niets dan omgevallen rotsblokken, hoopen steen, zand en slijk; de zeer weinige boomen staan zoo hoog, dat zij ter nauwernood zichtbaar zijn. Geen menschelijk wezen is hier te bespeuren. De lucht heeft geen vogelen en het water geen visschen; de berghellingen, te steil voor de gemzen, bieden ook nergens eene schuilplaats aan voor marmotten; de arenden zelfs vermijden dit onherbergzaam oord. Vier dagen achtereen zagen wij in deze woeste en dorre vallei geen enkel levend wezen, met uitzondering van eenige arme geiten, die zeer tegen haar zin naar deze wildernis waren gevoerd. “Deze vallei was inderdaad een passend tooneel voor het vreeselijk drama, dat, omstreeks vierhonderd jaar geleden, hier werd opgevoerd, en wel in de grot, die wij nu hoog boven ons aanschouwen, in de Balme-Chapelu:—den moord der Waldenzen van Vallouise. Eene treurige en jammerlijke geschiedenis is de hunne! Sedert meer dan driehonderd jaren bewoonden zij deze afgelegen valleien, afgezonderd van de wereld, in stilte arbeidende voor hun dagelijksch brood. De aartsbisschoppen van Embrun hadden bij herhaling, maar te vergeefs, gepoogd, hen door overreding in den schoot der kerk terug te brengen; anderen sloegen, om dit doel te bereiken, een anderen weg in: zij begonnen hen te vervolgen, te kwellen en te pijnigen, en eindigden met hen in massa levend te verbranden. Zoo werden, op den 22sten Mei 1393, tachtig personen uit de valleien van Freis-senières en van Argentière, en honderdvijftig personen uit Vallouise te Embrun verbrand. In het jaar 1488 beraamde Alberto Cattaneo, aarts-diaken van Cremona en legaat van Paus Innocentius VIII, een algemeenen aanval tegen de Waldenzen; maar door de Waldenzen van Piemont overal terug geslagen, verliet hij hunne valleien, en trok den Mont-Genèvre over om de Waldenzen van Dauphiné aan te tasten, die zwakker in aantal en meer verspreid waren. Cattaneo verscheen in de vallei van de Durance, aan het hoofd van een leger, dat, naar men zegt, half uit soldaten en half uit vagebonden, dieven en moordenaars bestond; om deze lieden tot zich te lokken en bijeen te houden, beloofde hij hun vooruit kwijtschelding van al hunne misdaden, ontsloeg hen van de geloften die zij mochten hebben afgelegd, en verzekerde hun het bezit van alles wat zij met geweld verworven hadden. “De bewoners van de Vallouise vluchtten op de nadering van dit leger, tienmaal sterker dan hun aantal, en verscholen zich in deze grot, waar zij een voorraad van levensmiddelen, voldoende voor twee jaren, hadden bijeengebracht. Maar hun verbitterde vijand ontdekte hunne schuilplaats. Cattaneo had in zijn leger een hoofdman, wiens wreedheid wedijverde met zijne sluwheid: met behulp van touwen liet hij zijne soldaten tot voor den ingang der grot zakken, waar zij groote hoopen takkebossen in brand staken; de meeste Waldenzen, die hier eene wijkplaats hadden gezocht, kwamen door het vuur en den rook om; zij die aan de vlammen ontsnapten werden vermoord. Zonder onderscheid van ouderdom of kunne, werden allen meedoogenloos om het leven gebracht. Naar men zegt, verloren meer dan drieduizend menschen bij deze gelegenheid het leven. Al wat in driehonderd-vijftig jaren van vreedzamen arbeid was verkregen, werd met één slag vernietigd; de vallei werd geheel ontvolkt. Ruim drie en een halve eeuw zijn sedert verloopen; de vallei is ledig en woest gebleven. “Na een poos bij eene kleine bron gerust te hebben, hervatten wij onzen marsch tot wij bijna aan den voet van den gletscher van Sapenière waren gekomen; daar sloegen wij, op aanwijzing van Sémiond, rechts om, en begonnen de helling van den berg te bestijgen. Wij klauterden naar boven, tusschen denneboomen en geweldige rotsblokken door. De nacht naderde met rassche schreden; het was hoog tijd een onderkomen te zoeken. Dit was trouwens niet moeilijk te vinden, want wij bevonden ons te midden van een waren chaos van rotsen. Wij besloten den nacht door te brengen onder een geweldigen steenklomp, die meer dan vijftien ellen lang en zes ellen hoog was. De bodem word schoon gemaakt, en hout bijeengezameld om vuur te kunnen maken. bladzijde 4 De Pelvoux, van La Bessée gezien. “Dit bivouak is niet uit mijne herinnering geweken. Het vaatje wijn was veilig en behouden tot hier gebracht; nu werd het open gestoken, en het alles behalve smakelijke vocht scheen den Franschen wel te bevallen en hunne levensgeesten op te wekken. Reynaud zong eenige fransche liedjes, en ieder droeg verder het zijne bij tot de algemeene gezelligheid door lied, verhaal of grap. Het was prachtig weer, en alles beloofde voor morgen een fraaien dag. De vroolijkheid mijner gezellen steeg ten top, toen ik een pakje rood bengaalsch vuur in de vlammen wierp. Het effect dezer plotselinge verlichting was tooverachtig schoon; maar het wondervolle schouwspel duurde slechts eenige sekonden: toen verzonken de bergen rondom ons weer in hun plechtig geheimzinnig duister. Voor en na schikte ieder van ons zich ter ruste; eindelijk wikkelde ook ik mij in mijn reisdeken. Die voorzorg was haast niet noodig, want de thermometer daalde niet lager dan veertig graden Fahrenheit, hoewel wij ons op eene hoogte van minstens drie-en-twintig-honderd el boven de zee bevonden. De Grand-Pelvoux, van Vallouise gezien. “Om drie uur ontwaakten wij; echter gingen wij niet voor half vijf op weg. Giraud behoefde niet verder mede te gaan dan tot deze rots; maar op zijn verlangen, kreeg hij vergunning ons te mogen vergezellen. Met frisschen moed de steilten beklimmende, hadden wij weldra de grens der boomen bereikt; toen moesten wij gedurende twee uren voortklauteren tusschen door elkaar geworpen rotsklompen. Kwart voor zeven uur hadden wij een smallen gletscher—den Clos de l'Homme—bereikt, die van de bovenste bergvlakte afdaalt, en kort daarna waren wij op de hoogte van den gletscher van Sapenière. Wij trachtten eerst rechts af te houden, in de hoop dat het niet noodig zou zijn den gletscher over te steken; maar wij moesten telkens op onze schreden terugkeeren, en kwamen weldra tot de overtuiging dat die tocht niet was te vermijden. De oude Sémiond had een zeer sterken afkeer voor gletschers, en deed al het mogelijke om deze gevaarlijke expeditie te voorkomen; maar Reynaud en ik wilden die liever wagen, en Giraud sloot zich bij ons aan. De gletscher was smal, niet veel breeder dan een steenworp, en het ging gemakkelijk genoeg de zijde te beklimmen; maar het midden vormde een steilen koepel, waarin wij gaten moesten hakken om onze voeten in te zetten. Giraud ging aan de spits, zeggende dat hij zich oefenen wilde; en onze bijl nemende, wilde hij die niet meer teruggeven. Dien dag, en ook later, zoo dikwijls wij ons een weg moesten banen door kloven en spleten met verharde sneeuw opgevuld, —hetgeen hooger op den berg telkens het geval was—deed hij alleen al het werk, en wel op de voortreffelijkste wijze. “Nadat wij den gletscher waren overgestoken, voegde de oude Sémiond zich weer bij ons. Wij klauterden nu, zigszagsgewijze, tegen eenige met sneeuw bedekte hellingen op, en begonnen spoedig daarna de schier eindelooze reeks van contreforten te bestijgen, die een der kenmerkende trekken van den Pelvoux zijn. Op sommige punten zeer steil, vormen zij over het geheel een stevigen en vasten grondslag, en onder die omstandigheden is eene beklimming eigenlijk nooit moeilijk te noemen. Tusschen die contreforten bevinden zich talrijke kloven en ravijnen, somwijlen zeer breed en zeer diep. Voor het meerendeel waren zij met steenen en puin gevuld, en zonder hulp zou het voor een toerist alleen moeielijk zijn geweest, er door te komen. Zij die aan de spits van onze kleine karavaan gingen, waren telkens genoodzaakt steenklompen op zijde te duwen, en hunne makkers met hunne stokken te hulp te komen. Intusschen brachten deze incidenten eenige afwisseling in onzen tocht, die mij anders vrij vervelend zou hebben geschenen. “Zoo klauterden wij tegen steilten, kloven en ravijnen op, telkens geloovende het doel bereikt te hebben, dat ons gedurig ontweek. Wij stonden aan den voet van een geweldig contrefort, omstreeks vijf-en-zestig el hoog, en beschouwden nauwkeurig het bovenste gedeelte dezer rotspyramide. Wij konden den top niet onderkennen; maar, naar onze meening, moest zich toch achter deze lijn van bolwerken ergens een top bevinden, en die top zou tevens wel de rand zijn van het bergplateau, waarnaar wij zoo vurig verlangden. IJverig naar boven klauterende, stonden wij straks op een top; maar, helaas! daarachter zagen wij er nog een, en nog een, en dan nog een.... Eindelijk hadden wij het hoogste toppunt bereikt; maar wij stonden wederom op een contrefort, en moesten een vijftien of twintig el afdalen om dan weer te klimmen. Deze oefening, eenige dozijnen malen herhaald, viel ons des te moeielijker, omdat wij werkelijk niet meer wisten waar wij ons eigenlijk bevonden. Sémiond sprak ons echter moed in: hij was zeker, zeide hij, dat wij op den goeden weg waren. Wij begonnen dus met frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen. bladzijde 5 De Pelvoux en Ailefroide. “Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk stonden wij stil om te overleggen. “Sémiond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn? —O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw. —Heel goed; dan maar voorwaarts.” “Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd: allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het plateau was niets te bespeuren. Sémiond wierp angstige blikken om zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag. “Hoe ver zijn wij nu van het plateau? —Een half uur, antwoordde hij. —Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op den goeden weg zijn? —Ja, dat geloof ik wel.” Hij geloofde het: dat was niet genoeg. “Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen? —De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz.” “Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud, die als verplet stond. “Wat zegt hij? vroeg ik hem. “Reynaud haalde de schouders op. “Wij gaven Sémiond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden, en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons in het minst niet bekommerden om zijne pyramide. “Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen; wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste, dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe sluier op den grond. Er bladzijde 6
Soyez le premier à déposer un commentaire !

17/1000 caractères maximum.