Etude d’évaluation des mesures communautaires dans le secteur des fourrages séchés

De
Publié par

1 Evaluatieonderzoek van de communautaire maatregelen in de sector gedroogde voedergewassen AND-International (Paris), COGEA (Roma), de Universiteit van Leiden (Leiden) en de Danish Agriculture Advisory Service (Aarhus) voor De Europese Commissie, directoraat-generaal Landbouw: Samenvatting 1. ECONOMISCHE ASPECTEN VAN DE SECTOR GEDROOGDE VOEDERGEWASSEN In 2005-2006 bedroeg de productie van gedroogde voedergewassen in de EU-25 4,5 miljoen ton en bestond zij voor 80 % uit luzerne en voor 20 % uit gras. De productie vond plaats in 17 lidstaten (LS); 8 van deze landen - die samen goed zijn voor 97 % van de productie - werden voor het onderzoek in aanmerking genomen. Spanje is de eerste producent (45 %) en wordt gevolgd door Frankrijk (24 %), Italië (15 %) en Duitsland (7 %). Nederland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië vertegenwoordigen samen 8 % van de totale productie. Meer dan de helft van de productie is in drie bekkens geconcentreerd : de vallei van de Ebro, de vallei van de Po en de regio Champagne-Ardenne. De omzet van de bedrijfstak wordt voor 2005/2006 geraamd op 550 miljoen euro, of 0,9 % van de omzet van de sector veevoederproductie in Europa. Op het vlak van werkgelegenheid vertegenwoordigt dit ongeveer 4 500 voltijdse arbeidsplaatsen waarvan 1 200 in verwante sectoren die rechtstreeks ten dienste staan van de activiteit. Met 430 000 hectare vertegenwoordigt de sector gedroogde voedergewassen jaarlijks nauwelijks ...
Publié le : samedi 24 septembre 2011
Lecture(s) : 7
Nombre de pages : 7
Voir plus Voir moins

1
Evaluatieonderzoek van de communautaire maatregelen in
de sector gedroogde voedergewassen
AND-International (Paris), COGEA (Roma), de Universiteit van Leiden (Leiden) en de Danish
Agriculture Advisory Service (Aarhus)
voor
De Europese Commissie, directoraat-generaal Landbouw:
Samenvatting

1. ECONOMISCHE ASPECTEN VAN DE SECTOR GEDROOGDE VOEDERGEWASSEN

In 2005-2006 bedroeg de productie van gedroogde voedergewassen in de EU-25
4,5 miljoen ton en bestond zij voor 80 % uit luzerne en voor 20 % uit gras. De
productie vond plaats in 17 lidstaten (LS); 8 van deze landen - die samen goed zijn
voor 97 % van de productie - werden voor het onderzoek in aanmerking genomen.
Spanje is de eerste producent (45 %) en wordt gevolgd door Frankrijk (24 %), Italië
(15 %) en Duitsland (7 %). Nederland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en
Tsjechië vertegenwoordigen samen 8 % van de totale productie. Meer dan de helft van
de productie is in drie bekkens geconcentreerd : de vallei van de Ebro, de vallei van de
Po en de regio Champagne-Ardenne.
De omzet van de bedrijfstak wordt voor 2005/2006 geraamd op 550 miljoen euro, of
0,9 % van de omzet van de sector veevoederproductie in Europa. Op het vlak van
werkgelegenheid vertegenwoordigt dit ongeveer 4 500 voltijdse arbeidsplaatsen
waarvan 1 200 in verwante sectoren die rechtstreeks ten dienste staan van de
activiteit.
Met 430 000 hectare vertegenwoordigt de sector gedroogde voedergewassen jaarlijks
nauwelijks 1 % van het groenvoederareaal van de EU 25 in een
vruchtwisselingsstelsel (inclusief weidegrond).
Voor luzerne is het gedroogde gewas goed voor 23 % van het areaal.
De gedroogde voedergewassen leveren 15 % van de in de EU-25 gebruikte
plantaardige eiwitten. In 70 % van de gevallen wordt het gedroogde voedergewas in
zijn oorspronkelijke staat, zonder dat er andere stoffen worden aan toegevoegd of
onder gemengd, aan de dieren gevoederd. De sector melkkoeienhouderij is de
belangrijkste afnemer van deze voedergewassen (63 %). De melkgeiten- en de
melkschapenhouderij nemen 18 % van de afzet voor hun rekening terwijl de
konijnenhouderij goed is voor 10 %.
Als pluspunten van de gedroogde voedergewassen vermelden de afnemers de
bewaarmogelijkheden, de regelmatige aanvoer en de uitstekende hygiënische
kwaliteit. Afgezien van het feit dat ze rijk zijn aan eiwitten, zijn de leguminosen en
andere gedroogde voedergewassen voor knaagdieren een bron van vezels, calcium
en andere noodzakelijke voedingsstoffen (Omega 3)
Als belangrijkste nadeel gelden de hoge productiekosten die de vergelijking met de
prijs van het belangrijkste vervangingsproduct in de veehouderij, soja, niet kunnen
doorstaan.
Factoren die aan de ontwikkeling en de evolutie van de sector gedroogde
voedergewassen kunnen bijdragen zijn: de snelgroeiende vraag van de sector
paardrijden als vrijetijdsbesteding, het gebruik van biomassa als energiebron en de
verbetering van de warmtebalans (en van de CO uitstoot) van de bedrijven. 2
Factoren die de ontwikkeling en de evolutie in het gedrang kunnen brengen zijn
de stijgende energiekosten, de in aanmerking genomen CO balans en het op de 2
markt komen van nieuwe vervangingsproducten (afgeleide producten van de sector
biobrandstoffen). 2

2. BEOORDELING VAN DE GMO VOOR GEDROOGDE VOEDERGEWASSEN
2.1. DE GMO VOOR GEDROOGDE VOEDERGEWASSEN
Het beleid ter ondersteuning van de productie van gedroogde voedergewassen gaat
terug tot 1975. Uit de overwegingen van de oorspronkelijke verordening blijkt duidelijk
dat het de bedoeling was, de productie van plantaardige eiwitten te ontwikkelen om
het communautaire tekort aan te vullen.
De steun heeft zich toegespitst op de verwerkende bedrijven en totdat de regeling in
2003 werd hervormd, werd zij herhaaldelijk gewijzigd. Na de hervorming, die van
toepassing werd in 2005, werd aan traditionele producenten een ontkoppelde
rechtstreekse steun toegekend en werd de gekoppelde steun die werd toegekend voor
de twee onderstaande types van verwerking, geüniformiseerd: kunstmatig drogen van
groenvoedergewassen en vermalen van zongedroogde voedergewassen (33 euro/ton
eindproduct).
De steunregeling gaat sedert 1995 gepaard met de vaststelling van een
gegarandeerde maximumhoeveelheid (GMH) die wordt omgezet in gegarandeerde
nationale hoeveelheden (GNH) Er wordt vastgesteld dat de GMH weliswaar wordt
bereikt maar dat de benuttinggraad van de GNH zeer variabel is: de LS met een
mediterraan klimaat hebben hun productie opgevoerd terwijl de noordelijke en de
oostelijke LS ze net hebben verlaagd.

2.2. ANTWOORDEN OP DE VOOR DE BEOORDELING GESTELDE VRAGEN

2.2.1. Thema 1: doeltreffendheid van de steun vóór en na de hervorming.
Vraag 1 – In welke mate heeft de regeling gezorgd voor een beter aanbod van voor de
dierlijke productie bestemde eiwitrijke voedergewassen?
• Dankzij de GMO konden de geproduceerde hoeveelheden worden verhoogd tot en
gehandhaafd op een hoger niveau dan de GMH;
• Gedroogde voedergewassen worden door de gebruikers zeer op prijs gesteld
wegens hun rijkdom aan eiwitten en voor zover de prijs gunstig is;
• De prijzen worden bepaald door de markt. De kwaliteitssegmenten waar hogere
prijzen kunnen worden gehanteerd, zijn goed voor 20 % van de geproduceerde
hoeveelheden.

Vraag 2 – In welke mate heeft de regeling bijgedragen aan een regelmatiger aanbod
van groenvoedergewassen aan de verwerkende bedrijven?
De dalende rentabiliteit van de bedrijfstak, ten dele veroorzaakt door de verlaging van
de communautaire steun sedert 1995 en door de stijgende energieprijzen, heeft een
groot aantal sluitingen van verwerkingsgebieden en bedrijven in de sector en een
daling van de productie tot gevolg gehad.
Deze daling van de rentabiliteit heeft vooral gevolgen voor de toeleveringsbedrijven:
de prijzen die de producenten worden geboden, zijn sterk gedaald. Deze weinig
aantrekkelijke prijzen leiden op hun beurt tot een beperkter aanbod. Voor de zuidelijke
lidstaten verliep de evolutie anders omdat de verwerkingskosten hier lager liggen.
Door de hervorming van 2003 die sedert 2005 en 2006 wordt toegepast, wordt deze
evolutie nog versterkt: de lagere prijzen die de producenten worden geboden hebben
ditmaal gevolgen voor de zuidelijke lidstaten.
Zo heeft de regeling tot in 2005/2006 in het noorden een gedeelte van de bedrijfstak
laten voortbestaan, terwijl het andere gedeelte is verdwenen: de regeling is dus niet
altijd doeltreffend gebleken. Met de nieuwe hervorming is de bevoorrading van de 3
verwerkingsgebieden minder doeltreffend geworden terwijl de lagere prijzen de
motivatie van de producenten nog meer ondermijnen.

Vraag 3- Welke voordelen heeft de regeling de producenten opgeleverd ?
Hoewel de regeling niet voorziet in een specifiek mechanisme om de producenten
van de verwerkingssteun te laten profiteren, heeft het bij de verordening opgelegde
systeem van contracten het mogelijk gemaakt een gedeelte van de steun, dankzij de
in de contracten vastgelegde en voldoende aantrekkelijke prijzen, naar de
producenten over te hevelen.
Op basis van de gegevens van het Informatienet inzake
landbouwbedrijfboekhoudingen (ILB) heeft men de relatieve rentabiliteit van de factor
grond vergeleken met die van de factor arbeid. De resultaten tonen aan dat een
geringere inzet van arbeidskrachten in de weidebedrijven de producenten in het
algemeen laat profiteren van een hogere opbrengst van de factor arbeid (die mettertijd
nog stijgt) zelfs wanneer de rentabiliteit van de factor grond soms daalt. Die resultaten
bevestigen dat de producenten rechtstreeks, via de prijzen, van de verwerkingssteun
hebben geprofiteerd.

2.2.2. Thema 2: Het milieu

Vraag 4 – In welke mate heeft de regeling in haar geheel negatieve gevolgen gehad
voor de bodem en het water?
Het onderzoek werd vooral toegespitst op Spanje waar de klimatologische
omstandigheden en de bodemgesteldheid het meest problematisch zijn en bij de
voedergewassencultuur systematisch van irrigatiewater gebruik wordt gemaakt.
Door de hogere waterbehoefte van de luzernecultuur in vergelijking met die van de
maïs- en de wintergranencultuur wordt in het algemeen aangenomen dat het
irrigatiewaterverbruik in de regio’s waar dit gewas wordt geteeld, door de uitbreiding
van de veevoederarealen is gestegen. De jaarlijkse waterbesparing wordt geraamd op
ongeveer 270 miljoen kubieke meter, hetgeen neerkomt op 3,2 % van het huidige
waterverbruik, wanneer van de luzernecultuur wordt overgeschakeld op de
monocultuur van maïs.

Vraag 5 – In welke mate heeft de regeling in haar geheel geleid tot een ongewenste
verhoging van het verbruik van fossiele brandstoffen? Welke gevolgen heeft dit voor
het milieu ?
Het energieverbruik van de sector gedroogde voedergewassen is één van de directe
bruto-effecten van de GMO. Dit effect komt tot uiting in een broeikasgasuitstoot
(BKG-uitstoot) die voor de periode waarin de resultaten van de hervorming nog niet
voelbaar waren (2004-2005) wordt geraamd op 1,6 mtCO -equivalent en voor het 2
verkoopseizoen 2005-2006 op 1,4 mtCO -equivalent (de verlaging wordt verklaard 2
door de verlaging van de verwerkte hoeveelheid).
Fossiele brandstoffen waren goed voor ongeveer 90 % van de in 2004-2005 aan de
sector geleverde energie, dus voor ongeveer 500 000 toe (ton olie-equivalent). In de
LS wordt slechts langzaam en in ongelijke mate overgeschakeld op hernieuwbare
energiebronnen. De GMO speelde een ondergeschikte rol bij de technische keuzes en
bij de brandstofkeuzes van de begunstigden.
De hervorming van 2003 heeft tot een daling van de productie van gedroogde
voedergewassen geleid (- 16 % in 2005-2006) en deze daling leidde op haar beurt tot
een equivalente daling van het verbruik aan fossiele brandstoffen; van een belangrijke
toename van het in-de-zon-drogen van voedergewassen was evenwel geen sprake
(behalve in beperkte mate in Italië).
4
Vraag 6 – In welke mate heeft de regeling in haar geheel gunstige gevolgen gehad
voor het milieu en mag op dat gebied nog verbetering worden verwacht?
Aan de productie van groenvoedergewassen die bestemd zijn om te worden gedroogd
worden ontegenzeggelijke, belangrijke positieve milieueffecten toegeschreven die als
directe bruto-effecten van de GMO kunnen worden beschouwd. Deze effecten komen
tot uiting in talrijke agronomische factoren (de positieve effecten van de cultuur van
leguminosen, met name van luzerne, zijn groter dan die van de cultuur van gemengd
grasland of van grassen met name omwille van het vermogen van deze gewassen om
de stikstof uit de lucht te vangen en in de bodem vast te houden) en houden verband
met de wijze waarop de grond in elke plaatselijke context wordt gebruikt en bebouwd.
Aard en omvang van deze effecten variëren bijgevolg sterk naargelang van het
gebied, met name wanneer er sprake is van wisselbouw in het kader van intensieve
akkerbouw: Champagne met 5 % van de oppervlakte cultuurgrond (OCG) levert een
niet verwaarloosbare positieve bijdrage terwijl de vallei van de Po met 16,6 % van de
OCG een zeer belangrijke bijdrage levert.
Op lokaal niveau kunnen dankzij de teelt van voedergewassen die bestemd zijn om te
worden gedroogd, jaarlijks in ieder bekken ongeveer 6 000 ton chemische stikstof,
140 000 toe en 1 miljoen ton CO2-equivalent aan broeikasgasuitstoot extra worden
bespaard ten opzichte van substitutiegewassen.
Over het geheel genomen (klimaatverandering, gebruik van hulpbronnen en van
gronden) is er veel minder sprake van een vaststaand resultaat; hiervoor zijn met
name de ontwikkeling van de kennis en van de aanpak en het ontbreken van een
internationale gevalideerde methode verantwoordelijk.
2.2.3. Thema 3 – Doeltreffendheid en coherentie
Vraag 7 – In welke mate was de regeling doeltreffend en werden de beoogde
doelstellingen bereikt ?
Het nuttig effect voor de begroting is beperkt. Immers,
uit het onderzoek is gebleken dat de steun per hectare die vóór de hervorming werd
toegekend, veel hoger lag voor gedroogde voedergewassen dan voor de andere
gewassen ( vóór de ontkoppeling: granen, oliehoudende zaden)
Niettegenstaande de verlaging van het percentage van de gekoppelde steun en de
samenvoeging van gedroogd en “zongedroogd” die bij Verordening (EG) nr.
1786/2003 werden goedgekeurd, blijven de steunuitgaven en de beheerskosten zeer
hoog in verhouding tot de eenheidswaarde van de geproduceerde eiwitbronnen.
Het veldonderzoek bracht naargelang van de bedrijven en de lidstaten zeer
verschillende beheerskosten aan het licht.

Vraag 8 – In welke mate is de regeling in haar huidige vorm coherent met de
doelstellingen van het GLB (na de hervorming van 2003 en rekening houdend met het
plattelandsontwikkelingsbeleid 2007-2013)?
1- Coherentie van de huidige regeling met de doelstellingen van het hervormde GLB
De huidige regeling strookt niet met de doelstelling van liberalisering van de markt
want door de handhaving van de gekoppelde steun wordt een systeem in stand
gehouden dat voor de landbouwproducenten een stimulans inhoudt en dus het
evenwicht verstoort.
De regeling strookt slechts gedeeltelijk met de doelstelling van levensvatbaarheid van
de sector. Bij de landbouwbedrijven wordt een verbetering van de rentabiliteit
vastgesteld; bij de verwerkende bedrijven heeft de verlaging van de gekoppelde steun
(samen met andere contextuele factoren) mee geleid tot een verlaging van de
rentabiliteit en een geringere levensvatbaarheid. Voor talrijke bedrijven, vooral in het
noorden, wordt een snelle achteruitgang verwacht. 5
De regeling strookt slechts gedeeltelijk met de doelstelling van milieubescherming. Bij
de landbouwbedrijven heeft de gedeeltelijke ontkoppeling in bepaalde bekkens met
intensieve cultuur geleid tot een beperking van het luzerneareaal en tot vervanging
door teelten met een grotere impact op het milieu. Bij de verwerkende bedrijven blijft
de relatieve verlaging van het brandstofverbruik beperkt.
De regeling strookt niet met de doelstelling van vereenvoudiging van het
beheerssysteem doordat twee beheerssystemen, één voor de gekoppelde steun en
één voor de ontkoppelde steun, naast elkaar blijven bestaan.
2- Vermoedelijke gevolgen van een volledige ontkoppeling voor de doelstellingen.
Bij een volledige ontkoppeling zou de doelstelling van liberalisering van de markt
worden bereikt.
Over de levensvatbaarheid van de sector : de ontkoppeling leidt waarschijnlijk tot een
sterke afname van de verwerkingsactiviteiten, vooral in de noordelijke landen. Bij
gebrek aan noemenswaardige omschakelingsmogelijkheden, zal de sluiting van het
merendeel van de bedrijven in de betrokken regio’s leiden tot een vertraging van de
economische groei en een daling van de werkgelegenheid hetgeen niet coherent is
met de doelstellingen en de strategie van plattelandsontwikkeling.
Bescherming van het lokale milieu: Voor de landbouw zouden de gevolgen van de
totale ontkoppeling zeer negatief zijn omdat het voedergewassenareaal opnieuw voor
granen, oliehoudende zaden en eiwitrijke gewassen (GOE) zou worden aangewend
(toename van meststoffen, pesticiden, verontreiniging en erosie en daling van de
biodiversiteit); de positieve gevolgen voor de irrigatie in Spanje zouden zeer beperkt
zijn. Deze ontwikkelingen zijn strijdig met de doelstellingen en de strategieën van
duurzame plattelandsontwikkeling.
Wat de verwerkende bedrijven betreft, zal de sluiting van de drogerijen positieve
gevolgen hebben voor het milieu omdat geen fossiele brandstoffen meer zullen
worden verbruikt en geen CO meer zal worden uitgestoten, hetgeen coherent is met 2
de doelstelling.
De vereenvoudiging van het beheerssysteem zou bij een volledige ontkoppeling wel
worden verwezenlijkt.
Vraag 9 – In hoeverre stroken de doeleinden van de regeling met de noden van de
producenten, de eindverbruikers en de plattelandsgebieden als geheel?
De gegaraneerde bevoorrading en het evenwicht op de communautaire markt voor
plantaardige eiwitten die voor de veestapel zijn bestemd (de oorspronkelijke
doelstelling van de GMO) zijn slechts in zeer beperkte mate afhankelijk van de
gesubsidieerde productie van gedroogde voedergewassen (2 % van de aanvoer van
eiwitrijke gewassen). De veevoederbedrijven stellen de gedroogde voedergewassen
veeleer op prijs omwille van hun eigenschappen als industriële grondstof (regelmatige
aanvoer, hygiënische kwaliteit) dan omwille van hun eiwit- of vezelgehalte. Deze
gewassen zijn voor de verwerkers niet onontbeerlijk maar interessant indien hun prijs
in vergelijking met die van andere grondstoffen gunstig is.
Toch komt de regeling ten dele tegemoet aan bepaalde behoeften:
• van de producenten, doordat ze hun een lonende afzetmarkt bezorgt of hun de
mogelijkheid biedt een vanuit agronomisch oogpunt interessant gewas te telen;
• van die melkveehouders die tevens voedergewassen produceren die bestemd zijn
om te worden gedroogd, doordat ze hun in staat stelt hun arbeidstijd, hun
veevoederproductiepotentieel, het voederverbruik van hun veestapel en hun
houderijmethode te optimaliseren;
• van die veehouders die geen veevoeder produceren maar dit product afnemen -
met name de konijnenhouders en de producenten die de melk leveren aan
bepaalde kaasfabrikanten die een BOB voeren - of van de extensieve producenten. 6
Op territoriaal vlak komt de regeling tegemoet aan collectieve behoeften :
• doordat ze een alternatief biedt voor de teelt van granen en oliehoudende zaden
die de inzet van grotere hoeveelheden chemische bestrijdingsmiddelen, met name
van stikstof, vereist, zorgt de regeling voor een geringere verontreiniging van de
waterlopen;
• doordat luzerne kan bijdragen aan een verbetering van de bodemstructuur is dit
gewas in Spanje een doeltreffend wapen tegen erosie, vooral wanneer de teelt van
maïs het alternatief is;
• in bepaalde regio’s of kleine gebieden (Champagne-Ardenne, het noorden van
Nederland, delen van de vallei van de Ebro) is de drogerijactiviteit een strategische
of belangrijke troef op het vlak van de werkgelegenheid.

3. AANBEVELINGEN

3.1. DE STEUNREGELING KAN NIET IN HAAR HUIDIGE VORM WORDEN
GEHANDHAAFD EN EVENMIN NOGMAALS WORDEN AANGEPAST
BIJGESCHAAFD

Om de hierboven aangehaalde redenen mag de steunregeling voor de gedroogde
voedergewassen niet in haar huidige vorm worden gehandhaafd.
In het kader van de eerste pijler van het GLB kan alleen worden geopteerd voor de
stopzetting van de steun. De aangetoonde gunstige gevolgen voor het milieu en voor
de plattelandsontwikkeling vallen immers vooral onder de tweede pijler.

De rechtstreekse gevolgen van de stopzetting van de gekoppelde steun zullen zijn :
• een drastische verlaging van de geproduceerde hoeveelheden met ongeveer 80 %;
• verlies aan arbeidsplaatsen, inkomensverlies, daling van de beroepsbevolking en
verlies aan knowhow. In 30 % van de gevallen zijn de
omschakelingsmogelijkheden van het betrokken personeel in de minder bevolkte
plattelandsgebieden beperkt;
• de inkomens van de veevoederproducenten, die zich met andere gewassen zullen
bevoorraden, komen waarschijnlijk niet in het gedrang en ook de bevoorrading van
de sector die mengvoeder voor dieren vervaardigt, zal veiliggesteld zijn;
• van de plaatselijke gunstige milieueffecten zal geen sprake meer zijn.
• het feit dat niet langer gebruik zal worden gemaakt van fossiele brandstoffen voor
het drogen van de gewassen en de daarmee gepaard gaande verlaging van de
CO -uitstoot zullen zorgen voor een « globaal » gunstig milieueffect. 2

3.2. OM DE VERWORVENHEDEN VAN DE GMO TE HANDHAVEN IS EEN
STEUNREGELING OP MAAT VEREIST

De positieve gevolgen van de GMO doen zich gevoelen in enkele duidelijk
omschreven gebieden in de EU en hebben hoofdzakelijk betrekking op de ontwikkeling
van het platteland en de instandhouding van het plaatselijke milieu.
De sector kan niet overleven zonder gekoppelde steun.
De handhaving van de verworvenheden van de GMO, die vanuit het oogpunt van de
plattelandsontwikkeling overwegend positief zijn, maakt het noodzakelijk dat de steun
van de eerste pijler van het GLB wordt overgeheveld naar de tweede pijler.
Het onderzoek van deze overheveling mag niet door vooroordelen worden gehinderd.
Deze overheveling veronderstelt evenwel politieke bereidheid en een sterkere
betrokkenheid van de nationale autoriteiten om zowel een regeling als een 7
overgangsperiode in te voeren en eventueel begrotingsmiddelen van de GMO over te
dragen naar de nationale plattelandsontwikkelingsprogramma’s.

3.3. EEN FASE VAN OVERHEVELING NAAR DE TWEEDE PIJLER WAARIN
NIEUWE DOELSTELLINGEN WORDEN OMSCHREVEN DIE OP DE
GECONSTATEERDE BEHOEFTEN ZIJN AFGESTEMD

Programmeringgegevens en tijdsdruk, met name de recente invoering van de
nationale plattelandsontwikkelingsprogramma’s, rechtvaardigen een
overgangsregeling.
Een overgangsregeling is nodig voor de aanpassing van de veevoederproducenten,
de versterking van het concurrentievermogen van de verwerkers en de vaststelling van
zeer precieze lokale doelstellingen voor de ontwikkeling van het platteland, de
werkgelegenheid en de bescherming van het milieu.

3.4. INTEGRATIE IN DE NATIONALE
PLATTELANDSONTWIKKELINGSPROGRAMMA’S

Voor steun aan de productie van groenvoedergewassen zouden in het kader van de
nationale plattelandsontwikkelingsprogramma’s twee belangrijke logische redenen
kunnen worden aangehaald, namelijk:
• het bieden van tegenwicht aan de intensieve productie in de bekkens waar
akkerbouw wordt bedreven. Specifieke steun voor de luzerneteelt zou op deze
wijze kunnen passen in een regeling die is gericht op wisselbouw en op de
bescherming van het milieu;
• de instandhouding van grasland en van semi-extensieve, op vetweiden
gebaseerde houderijmethoden in de andere bekkens (Verenigd Koninkrijk,
Duitsland, Denemarken…) met lokale structurering van de sector tot gevolg (soms
in de richting van biologische landbouw) en talrijke milieuvoordelen
(bodembedekking, diversiteit van de landbouwecosystemen, grondverbetering,
beperking van onnodig vervoer….).
Investeringssteun voor de verwerkende bedrijven (samenhang tussen zich hoger of
lager in de bedrijfskolom bevindende bedrijven, verhoging van de marktwaarde van de
producten en investeringen ter verbetering van het milieu) kan ook als middel worden
aangewend om bij te dragen aan het streven van de verwerkers naar een groter
concurrentievermogen van de producten en procedés.

Soyez le premier à déposer un commentaire !

17/1000 caractères maximum.