De Koran - Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding - omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.
663 pages
Nederlandse

De Koran - Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding - omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

-

Le téléchargement nécessite un accès à la bibliothèque YouScribe
Tout savoir sur nos offres
663 pages
Nederlandse
Le téléchargement nécessite un accès à la bibliothèque YouScribe
Tout savoir sur nos offres

Informations

Publié par
Publié le 08 décembre 2010
Nombre de lectures 157
Langue Nederlandse
Poids de l'ouvrage 1 Mo

Exrait

The Project Gutenberg EBook of De Koran This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. Author: Annotator: L. Ullmann, G. Weil, R. Sale Editor: S. Keyzer Translator: M. Kasimirski Release Date: September 25, 2006 [EBook #19786] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KORAN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ De Koran Voorafgegaan door Het leven van Mahomed, Eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. Met ophelderende aanmerkingen en historische aanteekeningen van M. Kasimirski, Dr. L. Ullmann, Dr. G. Weil en R. Sale Uitgegeven onder toezicht van Dr. S. Keyzer Vierde druk Waaraan is toegevoegd Een overzicht van de geschiedenis der Turken voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa Door Dr. N. Japikse Met 3 in kleuren gedrukte Kaartjes Rotterdam—D. Bolle [V] [Inhoud] Voorbericht bij den tweeden druk. Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht van den bekwamen Hoogleeraar K EYZER bij mij het licht zag, werd er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel Azië en Afrika uitstrekt. Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen Christenen. Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand leeren beschouwen. En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den godsdienst van MAHOMED. Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst een dwaling: ’t is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag voor haar geloof zóó heeft geleden en gestreden als deze geminachte Muzelman voor het zijne. De leer van MAHOMED heeft slechts drie geloofsartikelen: “Er is maar één God;”—“MAHOMED is Zijn profeet;”—“Niemand kan het lot, dat éénmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!” MAHOMED noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde MAHOMED een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een Godsdienst, waarin honderden millioenen schepselen, van gelijke beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust. Wanneer wij er MAHOMED een verwijt van maken, dat hij zijn godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij, Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat K AREL de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen volkeren tot het Christendom te bekeeren. En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is. Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene verbazende macht. Sedert Europa en Indië in versnelde gemeenschap zijn, de afstand tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand honderden van Europa naar Azië afreizen, is de noodzakelijkheid vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen de vlag van den profeet ontplooide. Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn. Haarlem 1878. J. J. VAN BREDERODE. [VII] [Inhoud] [VI] Voorbericht bij den vierden druk. Wat de vorige uitgever, in zijn V OORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN D RUK , ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen VIERDEN druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd. Alleen aangaande het O v e r z i c h t T u, zij opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. JAPIKSE geheel r k e n opnieuw werd geschreven ten behoeve van den DERDEN druk, en thans weder door hem werd herzien. De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. H ETTEMA JR. Rotterdam 1916. D. BOLLE. [IX] [Inhoud] Inhoud. I. Levensschets van Mahomet 1 II. De Koran. Algemeen overzicht 41 III. De Islam. Algemeen overzicht 57 IV. De Koran. I. Inleiding. Gegeven te Mekka.—7 verzen 69 II. De Koe. Gegeven te Medina.—286 verzen 70 III. De familie Imram. Gegeven te Mekka.—200 verzen 108 IV. De Vrouwen. Gegeven te Medina.—175 verzen 129 V. De Tafel. Gegeven te Medina.—120 verzen 152 VI. Het Vee. Gegeven te Mekka.—165 verzen 171 VII. Al Araf . Gegeven te Mekka.—205 verzen 189 VIII. De Buit. Gegeven te Medina.—76 verzen 211 IX. De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.—130 verzen 219 X. Jonas. Gegeven te Mekka.—109 verzen 235 XI. Hoed. Geopenbaard te Mekka.—123 verzen 245 XII. Jozef . Gegeven te Mekka.—111 verzen 260 XIII. De Donder. Gegeven te Mekka.—43 verzen 276 XIV. Abraham. Geopenbaard te Mekka.—52 verzen 282 XV. Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.—99 verzen 288 XVI. De Bij. Gegeven te Mekka.—128 verzen 294 XVII. De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.—111 verzen 309 XVIII. De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.—110 verzen 322 XIX. Maria. Geopenbaard te Mekka.—98 verzen 336 XX. T. H. Geopenbaard te Mekka.—135 verzen 344 XXI. De Profeten. Geopenbaard te Mekka.—112 verzen 355 XXII. De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.—78 verzen 365 XXIII. De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.—118 verzen [X] 374 XXIV. Het licht. Geopenbaard te Medina.—64 verzen 381 XXV. Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.—77 verzen 393 XXVI. De Dichters. Geopenbaard te Mekka.—228 verzen 400 XXVII. De Mier. Gegeven te Mekka.—95 verzen. 410 XXVIII. De geschiedenis (of de lotgevallen) . Gegeven te Mekka. —88 verzen 419 XXIX. De Spin. Geopenbaard te Mekka.—69 verzen 429 XXX. De Grieken. Geopenbaard te Mekka.—60 verzen 435 XXXI. Lokman. Geopenbaard te Mekka.—34 verzen 441 XXXII. De Aanbidding. Gegeven te Mekka.—30 verzen 445 XXXIII. De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.—73 verzen 448 XXXIV. Sara. Geopenbaard te Mekka.—54 verzen 461 XXXV. De Engelen, of de Schepper . Geopenbaard te Mekka.—45 verzen 468 XXXVI. Y. S. Geopenbaard te Mekka.—83 verzen 472 XXXVII. Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te Medina. —182 verzen 478 XXXVIII. S. Geopenbaard te Mekka.—88 verzen 485 XXXIX. De Scharen. Geopenbaard te Mekka.—75 verzen 491 XL. De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.—85 verzen 498 XLI. De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.—54 verzen 505 XLII. Overweging. Geopenbaard te Mekka.—53 verzen 510 XLIII. De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.—89 verzen 515 XLIV. De Rook. Geopenbaard te Mekka.—59 verzen 520 XLV. De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.—36 verzen 523 XLVI. Alahkaf . Geopenbaard te Mekka.—35 verzen 526 XLVII. Mahomet. Geopenbaard te Medina.—40 verzen 530 XLVIII. De Overwinning. Geopenbaard te Medina.—29 verzen 534 XLIX. De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.—18 verzen 539 L. K. Geopenbaard te Mekka.—45 verzen 541 LI. De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.—60 verzen 544 LII. De Berg. Geopenbaard te Mekka.—49 verzen 547 LIII. De Ster. Geopenbaard te Mekka.—62 verzen 549 LIV. De Maan. Geopenbaard te Mekka.—55 verzen 552 LV. De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.—78 verzen 555 LVI. De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.—96 verzen 558 LVII. Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—29 verzen 562 LVIII. De Klaagster. Geopenbaard te Medina.—22 verzen 565 LIX. De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.—24 verzen 568 LX. Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.—13 verzen 571 LXI. Slagorde. Geopenbaard te Mekka.—14 verzen 574 LXII. De Vergadering. Geopenbaard te Medina.—11 verzen 575 LXIII. De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.—11 verzen 577 LXIV. Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.—18 verzen 578 LXV. De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.—12 verzen 579 LXVI. Het Verbod. Geopenbaard te Medina.—12 verzen 581 [XI] [XII] LXVII. Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.—30 verzen 584 LXVIII. De pen. Geopenbaard te Mekka.—52 verzen 586 LXIX. De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.—52 verzen 588 LXX. De trappen. Geopenbaard te Mekka.—44 verzen 590 LXXI. Noach. Geopenbaard te Mekka.—29 verzen 592 LXXII. De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.—28 verzen 594 LXXIII. De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.—20 verzen 596 LXXIV. De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard te Mekka.—55 verzen 598 LXXV. De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.—50 verzen 600 LXXVI. De Mensch. Geopenbaard te Mekka.—31 verzen 601 LXXVII. De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.—50 verzen 603 LXXVIII. Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.—41 verzen 605 LXXIX. Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te Mekka.—46 verzen 606 LXXX. Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.—42 verzen 607 LXXXI. De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.—29 verzen 609 LXXXII. De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka—19 verzen 610 LXXXIII. De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.—36 verzen 611 LXXXIV. De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.—25 verzen 612 LXXXV. De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.—22 verzen 613 LXXXVI. De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.—17 verzen 614 LXXXVII. De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.—22 verzen 615 LXXXVIII. De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.—26 verzen 616 LXXXIX. De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.—30 verzen 617 XC. Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.—20 verzen 618 XCI. De Zon. Geopenbaard te Mekka.—15 verzen 619 XCII. De Nacht. Geopenbaard te Mekka.—21 verzen 619 XCIII. De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.—11 verzen 620 XCIV. Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.—8 verzen 621 XCV. De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.—8 verzen 621 XCVI. Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.—19 verzen 622 XCVII. Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—5 verzen 623 XCVIII. Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—8 verzen 623 XCIX. De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—8 verzen 624 C. De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—11 verzen 625 CI. De Slag. Geopenbaard te Mekka.—8 verzen 625 CII. De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of Medina.—8 verzen 626 CIII. De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.—3 verzen 626 [XIII] [XIV] CIV. De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.—9 verzen 627 CV. De Olifant. Geopenbaard te Mekka.—5 verzen 627 CVI. De Koreïshieten. Geopenbaard te Mekka.—4 verzen 628 CVII. De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—7 verzen 628 CVIII. Al Kauther. Gegeven te Mekka.—3 verzen 629 CIX. De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.—6 verzen 630 CX. De Hulp. Geopenbaard te Mekka.—3 verzen 630 CXI. Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.—5 verzen 631 CXII. Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—4 verzen 631 CXIII. De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—5 verzen 632 CXIV. De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.—6 verzen 632 V. Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld, en der noten desbetreffende 633 VI. Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa 667 I. Inleiding 667 II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa 675 III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa 691 [XV] [1] I. Levensschets van Mahomet. De Koran is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften, gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die nu eens getrouw en dan weêr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend, om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans, in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische verhalen ten opzichte der vestiging van den Islam of het Islamisme. Niet meer dan drie van MAHOMETS tijdgenooten worden, in het voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat MAHOMET zelven betreft, wordt deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt Gods woord voor, dat aan MAHOMET geopenbaard en door diens mond aan het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: MAHOMET heeft het gezegd; maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd; en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van MAHOMET bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn’ oorsprong en zijne levensgevallen zou openbaren1 . Dat stilzwijgen van den Koran wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten over MAHOMET, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd, den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan zijne openbaringen verbonden kunnen worden. De gezellen van den profeet (de Ashab), zijne helpers (de Ansar), de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den nieuwen eeredienst hadden verlaten (de Moehadjirs), allen die MAHOMET gevolgd zijn (de Tabi’, in het meervoud Tabi’in), en allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld, òok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd, met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische boeken, door de Muzelmannen2 samengesteld, en vormen heden ten dage een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in de geschiedenis van MAHOMETS zending, even als dit in de geschiedenis van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter de geschiedenis van MAHOMETS zending, gemakkelijker dan eenige andere godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms. Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote Arabische schiereiland niet altijd door éen volk van hetzelfde ras en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander in Arabië hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van Arabieren, el-Ariba3 volbloed-Arabieren of van onvermengd ras, of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de volken, die langen tijd voor MAHOMET uitgestorven of [2] [3] uitgeroeid waren. Dit zijn de Adieten, de Thémoedieten, de Amalika of Amalekieten, de bevolkingen van Tasm en Djadis, die, volgens de Arabische geschiedschrijvers, uit SEM of CHAM, zonen van N OACH, zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, Moetéarriba (Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen uit K AKTAN of JOKTAN , zoon van H EBER ; dezen hebben zich aanvankelijk in het gebied van Yemen (in Gelukkig Arabië) gevestigd, van waar zij zich naar alle overige gedeelten van Arabië hebben verbreid, door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De Himyarieten behooren tot de MoetéarribaArabieren, of, zoo als CAUSSIN DE PERGEVAL hen noemt, secondaire Arabieren. Het derde ras is dat van de Moesta’riba-Arabieren, (die met de andere Arabieren gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van ISMAË L , den zoon van A BRAHAM. Deze hebben zich in het gebied Hedjaz (woest Arabië) gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van Arabië verspreid: dit zijn de tertiaire, of Ismaëlitische Arabieren. Tot dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden rondom Mekka gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der Koreïshieten, waaruit MAHOMET geboren werd. Alhoewel de Arabieren de grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren, zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de rechtstreeksche afstamming vast te stellen van MAHOMET tot ISMAËL, gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest; maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne geslachtsrekening tot A DNAN , die voor een’ afstammeling van ISMAËL gehouden wordt. Neemt men drieëndertig jaren voor elk menschengeslacht aan, dan kan men het tijdvak van A DNAN op omstreeks 130 jaren voor CHR . stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen ISMAËL, den zoon van A BRAHAM, en A DNAN , een’ persoon die meer nabij ons tijdvak heeft geleefd. Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond om het geslachtsregister van MAHOMET in twijfel te trekken. Integendeel zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den Bijbel, te beginnen met de boeken van MOZES tot aan de profeten4 , die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit Woest Arabië (van Hedjaz en Mekka) als Ismaëlieten beschouwen, en voorts ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van A BRAHAM hebben bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor MAHOMET, de vermaarde tempel van Caaba, die ten doel strekte van de pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad Mekka zelve, door A BRAHAM gedurende zijn verblijf in Arabië opgericht zijn; en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van MAHOMET, een figuur, die A BRAHAM, den stichter der eeredienst van den eenigen God, voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn, moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen, zooveel is waar, dat die afkomst van MAHOMET eene belangrijke rol in zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn’ opgang bijgedragen moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het er nog op aankwam, de [4] Arabieren van de afgodendienst los te maken, vond MAHOMET in het voorbeeld van A BRAHAM een grooten steun voor den door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst onder de bescherming van een’ persoon, wiens nagedachtenis onder zijne landgenooten algemeen geëerbiedigd werd. De stad Mekka is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling gesticht; maar de vallei van Mekka strekte sedert de vroegste tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek der overblijfsels van den Caaba-tempel nedersloegen, waarvan zij de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van A DNAN , FIRH geheeten en EL K OREÏSH bijgenaamd, de stamvader van den vermaarden stad der Koreïshieten, die in het vervolg een’ grooten invloed te Mekka verkreeg. K OSSAÏ, een van zijn afstammelingen in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de Khozzaas, een andere Arabischen stam, als beheerders van Mekka uit den zadel te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de Koreïshieten te belezen, rondom den Caaba-tempel eene stad te bouwen, waarvan de verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der Koreïshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde K OSSAÏ een huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel van den raad (nadwa), waarin al de Koreïshieten toegang hadden en waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis (Dar-ennadwa) ontvingen de Koreïshieten, als zij een’ anderen stam gingen bevechten, de banier uit handen van K OSSAÏ. Op K OSSAÏS raad gaven de Koreïshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te onderwerpen, rifada (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den pelgrimstocht, aan K OSSAÏ betaalden, en die door dezen werd besteed om aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te Mina, op eenigen afstand van Mekka, verbleven, kosteloos levensmiddelen te verschaffen. K OSSAÏS gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in den Caaba-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden: sikaïa, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, hidjaba, wachter van den Caaba-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen ambten dient men die te voegen van rifada, de ontvangst van de belasting der hulpverstrekking, van liwa, die het recht gaf eene kap van witte stof aan den standaard der Koreïshieten te hechten, als deze ten strijde gingen, en van nadwa, raad, zijnde het voorzitterschap van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door K OSSAÏ aan andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men, dat de Koreïshieten, omstreeks twee honderd jaren voor MAHOMET (tegen het jaar 440 na CHR .) niet alleen te Mekka in het bezit waren van een regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der Koreïshieten, door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van Caaba, in al de gedeelten van Arabië bekend was. Door den handel dien zij met voortbrengsels van Gelukkig Arabië (Yemen) in Syrië, Mesopotamië en Egypte dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen, graan en andere voorwerpen5 terugbrachten, hadden zij een zekere gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen. K OSSAÏ of K OESSEÏ had vier zonen. A BDEDDAR , A BDELOZZA, A BD en [5] [6]
  • Accueil Accueil
  • Univers Univers
  • Ebooks Ebooks
  • Livres audio Livres audio
  • Presse Presse
  • BD BD
  • Documents Documents