Een Meisje-Studentje
101 pages
Nederlandse

Een Meisje-Studentje

-

Le téléchargement nécessite un accès à la bibliothèque YouScribe
Tout savoir sur nos offres

Informations

Publié par
Publié le 08 décembre 2010
Nombre de lectures 36
Langue Nederlandse
The Project Gutenberg EBook of Een Meisje-Studentje, by Annie Salomons This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Een Meisje-Studentje Author: Annie Salomons Release Date: June 5, 2009 [EBook #29044] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN MEISJE-STUDENTJE *** Produced by the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ [Inhoud] Een meisje-studentje Een meisje-studentje Door Annie Salomons Tweede druk Uitgegeven door C.A.J. van Dishoeck Te Bussum in het jaar MCMVII * * * [Inhoud] DRUKKERIJ “DE PHŒNIX”—NIJMEGEN [Inhoud] Voorbericht tot den tweeden druk. De nieuwe oplage was bijna gereed, toen ik Annie Sillevis’ brochure: “Een meisje-student over een meisje-studentje” ontving; en ik was blij hierin ’n aanleiding te vinden, na de uiteenloopende meeningen over de “strekking” van het boek, zelf eens even te vertellen, waarom ik het eigenlijk geschreven heb. Juffrouw Sillevis zegt ’t volkomen juist op blz. 7: “eenvoudig-weg, alleen om verhaaltjes te schrijven,” en ik hoor daarbij iets minachtends in haar stem. Inderdaad zou ’t, uit maatschappelijk oogpunt, zeer nuttig geweest zijn ’n brochure of tendenz-roman vóór of tegen studeeren van meisjes te schrijven; maar juffrouw Sillevis zegt, alweer terecht, dat ik maar een eerstejaars was, toen ik ’t schreef, en dus nog heel weinig van de kwestie kon afweten; en daar ik nu eenmaal tot de klasse van menschen behoor, die verhaaltjes-schrijven op-zich-zelf en om-zich-zelf heel belangrijk vinden, schreef ik er een over één “meisje-studentje”; niet over “vrouwelijke studenten”, want die kende ik te weinig, en daar stond ik te ver van af. En, om artistieke redenen, maakte ik dat kind, dat eerste-jaartje, een erg “meisjesachtig” meisje; ’n kind, zooals één der critici terecht zei “in zich volmaakt maar zonder tact”; en bracht haar zoo in voortdurend conflict met haar omgeving; ik liet haar zoeken, zich vergissen, teleurgesteld worden; dwalen, zooals zoo’n kind dwalen zál, tot ze aan ’t eind, geholpen door ’n “vrouwelijke studente”, iets voelt van ’n komende harmonie. Maar nu ráákte m’n verhaaltje ’n “question brûlante”, waarvan maatschappelijke menschen de oplossing zoeken, terwijl ik, als schrijfster, juist ’t conflict wilde; en al wie maar de gelegenheid wachtte, zich eens uit te spreken, heeft mijn “Go” als bewijs of aanvalspunt voor z’n stelling genomen. Zoo professor Blok; zoo Annie Sillevis. Als stuk-op-zichzelf, als raadgeving aan jongeren, als ik, vind ik de brochure van ’n meisje-student voortreffelijk, kranig, leerzaam, en als studentje breng ik m’n oudere zuster gaarne m’n dank voor haar wijs inzicht. Maar als schrijfster van het “Meisje-Studentje” strijd ik voor m’n boek, dat geeft, wat de titel belooft, —de ondervindingen van ’n heel jong meisje—, en dat zwijgt over de dingen, die nog buiten haar kring liggen. ANNIE SALOMONS. [1] [Inhoud] Hoofdstuk I. Else lag achterover op het “bakbeest van ’n canapé”, en speelde peinzend met haar dunne vingers in de gaatjes van een der gehaakte ster-antimakassers, die de juffrouw ter versiering aan de twee hoeken, en in ’t midden op het rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat op den grond, leunde ’t hoofd tegen de houten lambriseering, beenen recht-uit gestrekt van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de schemerende kamer in, terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming breken kwam. Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de nieuwigheid—ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames nooit—zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen en vorken de servetten en ’t laken in de ouderwetsche bonheur du jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te glanzen in ’t grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er onder geschoven, gaven ’n onaangenamen indruk van onbewoondheid, nog vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van ’t lang gesloten zijn geweest. Want toen ze ’n middag in Augustus—Go en Else en Else’s Vader en Moeder—na den heelen warmen, zonnigen dag de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met stijve halzen van ’t opkijken naar de huurbordjes, en doove beenen van ’t trappen klimmen—eindelijk op het stille grachtje waren gekomen, bij het oude, hooge huis, toen waren alle groene blinden toe geweest, en de juffrouw had verzekerd, dat ze ze toe hield, tot ze kwamen, “om ’t verschieten ziet u, dames.” En [2] ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden zorgen geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had gehouden. Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen ’n eindje opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes bewegen. Uit zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát alles kostte, hadden ze geen licht aangestoken, omdat je in ’t donker evengoed uitrusten kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon nichtjes, vreemd voor elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich den voorbijen dag, den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven. Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest—eenig dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders—had de nieuwe omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer, dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten om te studeeren, omdat ’t haar wel ’n aardig leventje leek en ze ’n helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra ’t haar niet beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in ’n vreemd pension, waar ze eerst even moest wennen, dacht verder gewoon door aan haar leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, waar ze bij bleef behooren, al was ze volgens ’t verhuisbiljet nu ook inwoonster van Leiden geworden. Voor Go was ’t alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar leven. Zij was de oudste van ’n groot gezin, waarvan ieder zich-zelf ’n weg zou moeten banen, en de jaren op ’t gymnasium had ze gewerkt en geleerd om toch eenmaal hiér te kunnen komen. Daarvan had ze alles en alles verwacht, en ’t had haar vaak zóó heerlijk geschenen, dat ze dacht, ’t wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn, jong onder jongen, studeerend onder studeerenden, die allemaal ’t zelfde wilden, ’t zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, àlles, wat haar interesseerde, kunnen volgen. Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en ’n zonnigen ochtend naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de coupé gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken om “kamers te zien”. Oom en Tante vonden goed, dat Else, die wel wat àl te verwend was, met Go zou samenwonen, omdat deze zooveel minder behoeften kende,