Nieuwe redactie van de bepalingen ter bevordering van het scheppen van nieuwe bedrijvigheid
436 pages
Nederlandse
Le téléchargement nécessite un accès à la bibliothèque YouScribe
Tout savoir sur nos offres

Nieuwe redactie van de bepalingen ter bevordering van het scheppen van nieuwe bedrijvigheid

-

Le téléchargement nécessite un accès à la bibliothèque YouScribe
Tout savoir sur nos offres
436 pages
Nederlandse

Description

NIEUWE REDAKTIE van de BEPALINGEN TER BEVORDERING VAN HET SCHEPPEN VAN NIEUWE BEDRIJVIGHEID Juridische en financiële bepalingen in de Lid-Staten (uitgezonderd Italië), het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika 1965 Publikatiediensten van de Europese Gemeenschappen 3825/4/66/1 INHOUD 0 ALGEMEEN 00 Algemene beschouwingen 01 Juridische en financiële bepalingen 02 Bevoegde instanties 03 Streekontwikkelingsplannen en andere acties met regionaal-economisch aspect 1 DIRECTE HULP AAN BEDRIJVEN 11 Financiële faciliteiten 111 Subsidies/Premies 112 Leningen 113 Rentefaciliteiten 114 Garanties 12 Belastingfaciliteiten 13 Speciale tarieven 131 Energie 132 Transport 2 INDIRECTE HULP AAN BEDRIJVEN 21 Inf ra-structuur, ontsluiting van industriegebieden en bouwrijp maken van industrieterreinen 22 Geprefabriceerde bedrijfspanden 24 Bouw van arbeiderswoningen 3 MAATREGELEN TEN GUNSTE VAN DE WERKNEMERS D 00 (1) ALGEMEEN Algemene beschouwingen In de Bondsrepubliek heerst over het geheel genomen sedert enige tijd volledige werkgelegenheid. De vraag naar arbeidskrachten is groot en de situatie op de arbeidsmarkt is dan ook gespannen. Zo werden bij voorbeeld op het hoogtepunt van de winterwerkloos-heid — op 31 januari 1965 — in de Bondsrepubliek slechts 286.000 werklozen geteld (1,3 % van de beroepsbevolking). Tegenover dit aantal werklozen stonden 563.

Informations

Publié par
Nombre de lectures 27
Langue Nederlandse
Poids de l'ouvrage 5 Mo

Exrait

NIEUWE REDAKTIE
van de
BEPALINGEN TER BEVORDERING VAN HET SCHEPPEN
VAN NIEUWE BEDRIJVIGHEID
Juridische en financiële bepalingen in de
Lid-Staten (uitgezonderd Italië), het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika
1965
Publikatiediensten van de Europese Gemeenschappen
3825/4/66/1 INHOUD
0 ALGEMEEN
00 Algemene beschouwingen
01 Juridische en financiële bepalingen
02 Bevoegde instanties
03 Streekontwikkelingsplannen en andere acties met regionaal-
economisch aspect
1 DIRECTE HULP AAN BEDRIJVEN
11 Financiële faciliteiten
111 Subsidies/Premies
112 Leningen
113 Rentefaciliteiten
114 Garanties
12 Belastingfaciliteiten
13 Speciale tarieven
131 Energie
132 Transport
2 INDIRECTE HULP AAN BEDRIJVEN
21 Inf ra-structuur, ontsluiting van industriegebieden en bouwrijp
maken van industrieterreinen
22 Geprefabriceerde bedrijfspanden
24 Bouw van arbeiderswoningen
3 MAATREGELEN TEN GUNSTE VAN DE WERKNEMERS D 00 (1)
ALGEMEEN
Algemene beschouwingen
In de Bondsrepubliek heerst over het geheel genomen sedert
enige tijd volledige werkgelegenheid. De vraag naar arbeidskrachten
is groot en de situatie op de arbeidsmarkt is dan ook gespannen.
Zo werden bij voorbeeld op het hoogtepunt van de winterwerkloos-
heid — op 31 januari 1965 — in de Bondsrepubliek slechts 286.000
werklozen geteld (1,3 % van de beroepsbevolking). Tegenover dit
aantal werklozen stonden 563.000 open plaatsen, zodat zelfs op het
hoogtepunt van de winterwerkloosheid het aantal open plaatsen twee­
maal zo groot was als het aantal werklozen. Bovendien zij erop gewe­
zen dat in het voorjaar van 1965 in de Bondsrepubliek ongeveer een
miljoen buitenlandse arbeidskrachten was tewerkgesteld, hetgeen bete­
kent dat iedere 20ste werknemer in dek een buitenlan­
der was. Hieruit blijkt hoezeer de vraag naar arbeidskrachten in de
Bondsrepubliek zich tot over de grenzen deed gevoelen.
Rekening houdend met deze gang van zaken zou men terecht de
vraag kunnen stellen of het thans nog wel verantwoord is dat door de
overheid bijzondere maatregelen voor het scheppen van arbeidsplaat­
sen worden genomen, dan wel of niet veeleer het tijdstip is aangebro­
ken om de steun die de staat tot dusver verleende ten behoeve van
bepaalde investeringen van het bedrijfsleven, te beperken of zelfs
geheel stop te zetten. In dit verband dient echter het volgende te
worden opgemerkt:
1. Uit de vermelde totale cijfers voor de Bondsrepubliek blijkt
niet dat binnen het gebied van de Bondsrepubliek nog aanzienlijke
regionale verschillen op de arbeidsmarkt bestaan. Zo waren er bij
voorbeeld op 31 december 1964 in het gebied Cham (Oberpfalz)
3.456 geregistreerde werklozen (11,6 % van het aantal werknemers).
Dit betekent dus dat in bepaalde delen van de Bondsrepubliek althans
in de winter het aantal arbeidsplaatsen stellig nog onvoldoende is.
Hierbij moet echter nog worden aangetekend, dat het niet zonder D 00 (2)
meer mogelijk is deze winterwerkloosheid in korte tijd door het schep­
pen van nieuwe arbeidsplaatsen in de industrie op te heffen. Voor
een groot deel gaat het bij deze werklozen om goed betaalde — in
de bouwnijverheid te werk gestelde — seizoenarbeiders, die in de
zomermaanden naar hun werk teruggaan en dus niet bereid zijn
continu het hele jaar door op een nieuwe arbeidsplaats te werken.
2. De Duitse statistiek betreffende de situatie op de arbeidsmarkt
telt de beroepsbevolking in haar woonplaats. Dit heeft tot gevolg,
dat de pendelaar die in een landelijk district woont, doch in een ver
verwijderd industriegebied werkt, in het landelijke district als tewerk­
gestelde wordt geregistreerd. Daardoor vertonen de landelijke distric­
ten in de statistiek een gunstiger beeld, dan met de werkelijkheid
overeenkomt. (Over de sociale vraagstukken die door het pendelen
over grote afstand worden opgeworpen, kan in dit korte bestek niet
worden gesproken.)
3. Voor het verkrijgen van een juist inzicht in de regionale
structuur van de Bondsrepubliek verdient het aanbeveling om naast
de arbeidsmarktstatistiek de zogenaamde industriële berichtgeving in
de beschouwing te betrekken. Deze statistiek telt de werknemers in de
industrie op de plaats van hun tewerkstelling. Zij geeft een beeld van
de aanzienlijke verschillen in het aantal beschikbare industriële ar­
beidsplaatsen in de verschillende gebieden. Zo ligt bij voorbeeld in
talrijke plattelandsdistricten de zogenaamde industriebezetting (het
aantal werknemers in de industrie per 1.000 inwoners) onder de 50,
tegen een gemiddelde van 143 in de gehele Bondsrepubliek. Dit houdt
geenszins in dat een lage industriebezetting op zichzelf een symp­
toom van een onbevredigende economische structuur is. Het geeft
echter te denken wanneer het bij voorbeeld een plattelandsdistrict
betreft, waar de kleine en zeer kleine landbouwbedrijven met lage
opbrengsten in de meerderheid zijn. Deze gebieden worden in de regel
gekenmerkt door een relatief laag nationaal produkt per hoofd van
de bevolking.
4. Sedert enkele jaren spelen in de openbare discussie de eenzijdig
gestructureerde gebieden, waarvoor men in de Bondsrepubliek de
term „probleemgebieden" bezigt, een belangrijke rol. In deze gebie­
den is weliswaar in vele gevallen het inkomensniveau en de levensstan­
daard volstrekt niet bijzonder laag, doch hun ontwikkeling wordt voor
een groot deel gekenmerkt door een relatief achterblijven — in vele
gevallen door stagnatie of zelfs door absolute achteruitgang; dit geldt
vooral wanneer de structuurbepalende economische sectoren te kampen
hebben met moeilijke problemen op lange termijn (zoals bij voor­
beeld de kolenmijnindustrie). D 00 (3)
De algemene en nagenoeg ononderbroken opwaartse tendens van
de economie, welke in de Bondsrepubliek sedert de geldzuivering
(1948) valt waar te nemen, heeft er stellig toe bijgedragen dat de
genoemde problemen en moeilijkheden in vele gevallen werden ver­
zacht of ten dele uit de weg werden geruimd. De sedert jaren heersen­
de volledige werkgelegenheid en de bijzonder gespannen situatie
van de arbeidsmarkt in de sterk geïndustrialiseerde gebieden bracht
veel ondernemers er toe filiaalbedrijven in de economisch zwakke
gebieden te vestigen, ten einde de aldaar beschikbare (of zelfs ver­
moede) „stille reserves" aan arbeidskrachten uit te putten. Vele onder­
nemers besloten ook hun hele bedrijf over te plaatsen naar deze gebie­
den. Deze tendensen waren echter niet sterk genoeg om de oneven­
wichtige regionale ontwikkeling in de Bondsrepubliek, welke sedert
het begin van de industrialisatie valt waar te nemen, in voldoende
mate tegen te gaan. De overheid (dat wil zeggen „Bund" en „Län­
der") beschouwt het derhalve als zijn taak om, ook bij de heersende
volledige werkgelegenheid, de economisch zwakke gebieden te steu­
nen in hun streven naar versterking van hun economische kracht —
met name bij de consolidatie en uitbreiding van de bestaande en het
aantrekken van nieuwe bedrijven. De ervaring leert dat een gunstige
en stabiele conjunctuur de beste voorwaarden biedt voor een succes­
rijk regionaal structuurbeleid, daar zij de ondernemers aanspoort
tot een grotere investeringsactiviteit. Een duidelijk aan de dag treden­
de algemene investeringsbereidheid vergemakkelijkt vanzelfsprekend
ook het besluit om buiten de concentratiegebieden te investeren. Rela­
tief kleine stimulansen van de overheid zijn dan reeds voldoende
voor het doen van investeringen, die bij een slecht conjunctureel kli­
maat nooit tot stand zouden zijn gekomen.
Anderzijds blijkt het noodzakelijk uit de sedert enkele jaren
ononderbroken heersende volledige werkgelegenheid bepaalde conse­
quenties te trekken voor de praktische tenuitvoerlegging van het
regionale economische beleid. Met name dienen de gevolgen van de
vestiging van een grote industriële onderneming voor de arbeidsmarkt
van een bepaald gebied zorgvuldig te worden onderzocht. Momenteel
bestaat ook in de economisch zwakke en eenzijdig gestructureerde
gebieden schaarste aan geschoolde arbeidskrachten. De aldaar geves­
tigde ondernemers klagen dat deze toch al schaarse arbeidskrachten
naar andere gebieden trekken, waar hun aantrekkelijker arbeidsplaat­
sen en — wat soms nog belangrijker schijnt te zijn — betere algemene
levensomstandigheden worden geboden (mogelijkheden voor oplei­
ding en promotie in het bedrijf, ruimere faciliteiten van iedere aard
in de openbare en de particuliere sector). De betrokken ondernemers D 00 (4)
aanvaarden het vanzelfsprekend niet zonder meer dat een met over­
heidssteun gevestigd groot bedrijf hun van de ene dag op de andere
de toch al schaarse geschoolde arbeidskrachten wegneemt.
Het regionale economische beleid ziet zich dus in de Bondsrepu­
bliek gesteld voor een op het eerste gezicht paradoxe situatie: aan
de ene kant eisen de tussen de verschillende gebieden bestaande ver­
schillen in economische kracht en levensstandaard het scheppen van
meer produktieve en daardoor meer winstgevende arbeidsplaatsen;
aan de andere kant mag dit echter niet gepaard gaan met een discrimi­
natie van de in het betrokken gebied reeds gevestigde ondernemingen.
Dit zou met name heftige kritiek uitlokken wanneer de nieuw te
vestigen ondernemingen filiaalbedrijven van grote en financieel krach­
tigen zijn. De kritiek richt zich in dit geval niet tegen
het feit dat de werknemers in een bepaald gebied meer en betere
arbeidsplaatsen worden geboden, doch wel tegen de vestigingssteun
welke aan de nieuwe bedrijven in de streek worden verleend, doch aan
de reeds aldaar gevestigde ondernemingenn onthouden.
De Bondsregering en regeringen van de „Länder" hebben getracht
aan deze moeilijkheden als volgt het hoofd te bieden:
1. De regeringen van de „Länder", die de omstandigheden ter
plaatse het best kennen, zullen iedere industrievestiging — voor zover
deze door de overheid wordt bevorderd — wat de omvang ervan en het
vestigingstempo betreft — afstemmen op de plaatselijke, respectieve­
lijk regionale situatie.
2. Naast het bevorderen van de vestiging van nieuwe bedrijven
in de economisch zwakke gebieden wint de door de overheid verleende
steun ten behoeve van de modernisering en rationalisatie der reeds
gevestigde bedrijven steeds meer aan betekenis. Deze steun moet ertoe
bijdragen de reeds beschikbare arbeidsplaatsen stabieler te maken en
ze beter te beschermen tegen crisisinvloeden.
3. De verbetering van de infrastructuur welke aan alle bedrij­
ven in een bepaalde streek in gelijke mate ten goede komt, treedt
sterker op de voorgrond.
4. Wat de infrastructuur betreft, wordt een steeds grotere bete­
kenis gehecht aan de maatregelen die leiden tot verbetering van de
algemene levensomstandigheden (sociale en culturele infrastructuur),
aangezien door dezen het wegtrekken van de bevolking
uit de streek wordt tegengegaan. Voorts treedt de beroepsopleiding
en de voortgezette opleiding, waardoor de schaarste aan geschoolde
arbeidskrachten moet worden bestreden, op de voorgrond. D 00 (5)
Uit het voorgaande mag evenwel niet worden geconcludeerd dat
tegen de vestiging van nieuwe ondernemingen in economisch zwakke
of eenzijdig gestructureerde gebieden principiële bezwaren bestaan. In
vele gevallen is de verhoging van de levensstandaard respectievelijk
een doorbreken van de stagnatie zonder deze nieuwe vestigingen
niet mogelijk — althans niet op korte termijn. Het bovenstaande
dient slechts om aan te tonen dat bij de oprichting van nieuwe bedrij­
ven met de belangen van de reeds gevestigde industrie rekening moet
worden gehouden.
Het ligt niet in de bedoeling om in dit bestek een algemeen beeld
te geven van het beleid op het gebied van economische expansie
en van het structuurbeleid. Slechts die maatregelen die in het kader
van bijzondere programma's of acties worden genomen en die aan
bepaalde gebieden ten goede komen, zullen in bijzonderheden worden
vermeld. Dit lijkt noodzakelijk gezien het feit dat — nu de fase
van de wederopbouw gedurende de eerste jaren na de oorlog min of
meer is afgesloten — in de laatste tijd de regionale aspecten zeer
sterk op de voorgrond treden. De programma's van de Bondsregering
en van de regeringen der „Länder" zijn er van jaar tot jaar in toe­
nemende mate op gericht de investeringen in bepaalde gebieden krach­
tig te bevorderen. Naast het regionale aspect speelt echter bij het
bevorderen van het bedrijfsleven door de overheid in de laatste jaren
ook het beleid ten aanzien van de middenstand een belangrijke rol.
De betekenis van het streven naar verbetering van de regionale struc­
tuur en naar versterking van de middenstand moge blijken uit het feit
dat de aan industriële ondernemingen verleende financiële steun uit
ERP-middelen en uit begrotingsmiddelen van de Bondsregering voor­
namelijk zijn bestemd voor deze beide doeleinden.
Zowel de Bondsregering als de regeringen van de „Länder"
gaan ervan uit dat het op de weg van de ondernemer ligt te beslissen
wanneer en waar hij wil investeren. Men ziet er dus welbewust van af
de ondernemer door wetten of verordeningen te dwingen in bepaalde
sectoren of streken te investeren. Wanneer de overheid er belang bij
heeft dat in een bepaalde bedrijfstak of in een bepaalde streek meer
wordt geïnvesteerd dan in het verleden, kan zij de ondernemer door
het verlenen van bepaalde faciliteiten aanmoedigen tot het doen van
de gewenste investeringen. Hierbij dient zij er echter op toe te zien
dat de omvang van deze faciliteiten zorgvuldig wordt bepaald. Elk
voordeel dat door de overheid aan een ondernemer wordt toegekend,
is van invloed op de concurrentieverhoudingen en kan, als hierbij
een bepaalde grens wordt overschreden, ongewilde gevolgen hebben,
die om sociaal-politieke of andere redenen ongewenst of zelfs niet D 00 (6)
verantwoord zijn. Het zal er dus steeds op aankomen de afzonderlijke
maatregelen zodanig te doseren dat de gewenste uitwerking en de
noodzakelijkerwijs ermee gepaard gaande ongewenste nevenverschijn­
selen in een redelijke verhouding tot elkaar staan.
Theoretisch bestaat de mogelijkheid op de beslissingen der onder­
nemers ten aanzien hun investeringsbeleid niet alleen invloed uit te
oefenen door het stimuleren van gewenste investeringen, doch ook
door investeringen in sectoren of gebieden waar zij om verschillende
redenen ongewenst zouden zijn, door wettelijke bepalingen te bemoei­
lijken of te verbieden. In tegenstelling tot vele andere Westeuropese
landen heeft men in de Bondsrepubliek deze weg in verband met de
daaraan verbonden politieke en grondwettelijke moeilijkheden tot dus­
ver niet bewandeld.
Voor een beter begrip van de toestand in de Bondsrepubliek zij
nog het volgende opgemerkt: het regionale economische beleid is in
de Bondsrepubliek in de eerste plaats een zaak van de „Länder".
De Bondsregering grijpt slechts subsidiair in wanneer een bepaalde
taak de krachten van een „Land" te boven gaat of wanneer het
vraagstukken betreft die voor de Bondsrepubliek in haar geheel van
beslissende politieke betekenis zijn. Dit laatste geldt bij voorbeeld
voor de steun aan de gebieden langs de zonegrens. Hierdoor wordt
verklaard dat bijna alle „Länder" bijzondere programma's voor de
verbetering van de economische structuur van bepaalde gebieden
hebben opgesteld. Hierbij hebben de regeringen van de „Länder" —
ten einde zich elastisch aan de veranderende omstandigheden en de
gewijzigde taken te kunnen aanpassen — in vele gevallen afgezien
van een nauwkeurige afbakening van de te steunen gebieden. Boven­
dien hebben zij de programma's vaak zodanig opgezet, dat naast de
verbetering van de economische structuur ook de verwezenlijking van
andere doelstellingen (zoals bij voorbeeld de steun aan de midden­
stand) wordt bevorderd.
De steunmaatregelen ten behoeve van het zogenaamde zone­
randgebied — een ongeveer 40 km brede strook langs de grenzen met
de Oostzone — zijn in deze uiteenzetting niet in bijzonderheden
beschreven. Deze steunmaatregelen dienen ter gedeeltelijke compen­
satie van de schade, welke door het bestaan van de zonegrens wordt
veroorzaakt. Zij zijn speciaal afgestemd op de heersende omstandig­
heden in het zone-randgebied en op het opheffen van de nadelen
welke voortspruiten uit de aanwezigheid van de zonegrens, zodat
zij nauwelijks kunnen dienen als vergelijkingsmateriaal voor andere
gebieden. Ook de door de Bondsregering aan de stad (West-) Berlijn